U bent hier

Sixtine Bérard tipt ‘Vel’ van Mieke Versyp & Sabien Clement

Sixtine Bérard (22) groeide op in Watermaal-Bosvoorde en spendeerde als kind, ‘Matilda’-gewijs, uren al lezend in bibliotheek Rozenberg. Momenteel studeert ze Theaterwetenschappen in Gent en vult ze haar vrije uren met schrijven, én af en toe ook met cartoons tekenen.

Sixtine Bérard (foto: Saskia Vanderstichele)

door Rik Sturtewagen

“Het is leuk om sporen van je eigen leeservaring terug te vinden.”

Dag Sixtine, kan je iets meer over je jeugd vertellen?
Ik was altijd het cliché van het melancholisch kindje dat zich niet thuis voelt in de wereld en dus naar de bibliotheek gaat om te lezen. Dat werd de heel mooie, schattige, idyllische bibliotheek in Watermaal-Bosvoorde: bib Rozenberg, een villa boven op een heuvel, waar ik heel veel tijd heb gespendeerd. Ik was echt de ‘Matilda’ van de bibliotheek. Eigenlijk ben ik Franstalig, maar door een plaatstekort in de Brusselse kinderopvang ben ik bij een Nederlandstalige opvang terechtgekomen. Mijn eerste woordje was in het Nederlands, en ik ben dan ook verder gegaan in het Nederlandstalig onderwijs. Ik lees ook voornamelijk in het Nederlands.

Ik zag dat je met deBuren mee mag op schrijfresidentie in Parijs. Je schrijft dus ook?
Ja inderdaad, ik vind het nog steeds heel onwezenlijk, dat is echt iets super chouette. Ik weet nog dat ik op mijn lagere school, De Wemelweide, ‘De Snotaap’ heb geschreven met een vriendin, Maria. Het was een soort van feministisch coming-of-ageboekje, gestoeld op de bekritisering van onze mannelijke klasgenoten (lacht). Ik bleef schrijven en het werd zo’n ding waarvan mensen dachten dat ik het goed kon. Na een tijdje besefte ik: wow, ik vind dit leuk, en ik mag dit leuk vinden en blijven doen!

Je maakt ook cartoons. Hoe is dat gekomen?
Ik was onlangs bij mijn moeder in Watermaal-Bosvoorde en vond een oud boekje terug, vol humor die hetzelfde is als mijn humor nu. Er zijn twee verklaringen: of ik was toen al geniaal, of mijn humor is helemaal niet geëvolueerd. Misschien is alles gestart met ‘De Snotaap’, maar de bal ging echt rollen tijdens coronny, toen ik even terug in mijn ouderlijk huis woonde en merkte dat ik terug verviel in mijn puberrol. Ik maakte dwaze tekeningen waarbij ik met mezelf lachte tijdens de lockdown, deelde ze op Instagram en mensen vonden dat leuk. Vorig jaar zei een vriendin (Ada Güvenir – echt een wow mens): “Sixtine, je mag jezelf uitlachen, maar je moet daar ook iets mee doen”. Toen ben ik die tekeningen serieuzer beginnen nemen. En plots kreeg ik een mailtje van dichteres Nele Buyst, die ook bij NTGent werkt en met wie ik een schrijfparcours heb gedaan. Ze vroeg me om cartoons te maken voor NTGent. Dat voelde wel wat raar, omdat er zoveel mensen zijn die goed kunnen tekenen. Nog meer dan anders voelde ik me een beetje een imposter. Want waar begint het enthousiast “ja” zeggen op iets en wanneer neem je dan ineens alle ruimte in? Cartoons maken is één van de dingen die ik heel graag doe, maar ik voel me er wel onzekerder bij dan bij schrijven of 3.000 schilderijen uit het hoofd blokken.

Laten we het even hebben over het boek dat je hebt gekozen voor ‘1 Stad, 19 Boeken’: ‘Vel’ van Mieke Versyp en Sabien Clement. Heb je het graag gelezen?
Ja! Ik hou sowieso enorm veel van boeken. Mijn kamer staat er vol mee. Ik heb een soort leesstrategie: ik lees veel boeken tegelijkertijd en schrijf er ook in. Het is leuk om sporen van je eigen leeservaring terug te vinden. Als ik passievrucht mors in een boek, schrijf ik daar bijvoorbeeld een datum en een plaats bij.

Ik heb een soort leesstrategie: ik lees veel boeken tegelijkertijd en schrijf er ook in. Het is leuk om sporen van je eigen leeservaring terug te vinden.

Maar een graphic novel is vaak een duurder en zwaarder boek. De materialiteit dwingt je tot een andere leeservaring: het is moeilijker even boven te halen aan de tramhalte. Ik nam dus echt mijn tijd om ‘Vel’ te lezen. Het was een onderdompeling, ook door het formaat van het boek. Als kind las mijn moeder me vaak prentenboeken voor, bijvoorbeeld van Rébecca Dautremer, met heel mooie illustraties. Het is eigenlijk gek dat het speelse van beeld vaak wegvalt in je leeservaring als volwassene. Maar graphic novels hebben niet altijd de beeldkwaliteit van ‘Vel’, met zo’n diversiteit aan technieken. Het verhaal heeft me echt geraakt. Vooral de verhouding tot het eigen lichaam en de context van de tekenles, van kijken en bekeken worden. Lichamelijkheid is een thema dat mij na aan het hart ligt. En hoe moeilijk het soms is om met je eigen lichaam om te gaan. Dat is niet gemakkelijk om te delen, maar de auteurs zijn er goed in geslaagd.

Het boek is het werk van 2 creatieve mensen: Mieke Versyp schreef de tekst en Sabien Clement illustreerde. Zelf vond ik dat je bijna niet merkt dat er twee auteurs zijn. Wat was jouw indruk?
Ik ben heel benieuwd naar het proces van de auteurs, naar hoe ze personages creëren. Zo had ik het gevoel dat de wandelende takken erg dicht bij de illustratrice lagen. Het zijn zulke delicate wezens, dat wekt mijn interesse op. Zelf heb ik ongelofelijk veel schrik om iets of iemand pijn te doen. Als ik wandelende takken had, zou ik doodsbang zijn om erop te stappen, want ze zijn bijna onzichtbaar. Die indrukken voel je ook bij de personages en hoe de auteurs er zorg voor dragen. Het is ook een heel zorgzaam boek omdat het niet vluchtig is. Ik voelde echt de arbeidsintensiviteit bij de tekeningen en ook de tekst is niet zomaar descriptief. Het boek nodigt je uit om na te denken, ook nadat je het hebt dichtgeklapt. Het leest wel snel, maar je wil er nadien terug in bladeren.

Mieke Versyp schrijft ook theaterteksten. Zit er voor jou ook theater in dit boek?
Ergens wel, maar ergens ook niet, want de kern van theater blijft voor mij vertoning en die samen beleven. De aandacht voor suggestie en bepaalde lichaamsbewegingen is voor mij wel gelinkt met theater. Als dramaturg word je opgeleid om goed te kijken, goed te luisteren en aandachtig te zijn. Dit is uiteraard niet enkel beperkt tot theater, maar ik vermoed dat Mieke Versyp wel iemand is die goed observeert en af en toe bijvoorbeeld een gesprek opvangt in de tram.

Het boek speelt zich af in Gent. Vind je het voelen van de locatie belangrijk in een boek?
Neen. Ik vond het wel tof om Gent erin te herkennen, maar heb zelf geen greintje stadschauvinisme in me. Of misschien wel een beetje over Brussel, maar dan eerder uit verdediging tegen verkeerde uitspraken over de stad.

Ben je nog vaak in Brussel?
Minstens één keer per maand, maar mijn band met Brussel is bizar. We zijn als mensen die elkaar heel lang heel graag hebben gezien en dan uit elkaar gaan. Ze zien elkaar nog graag maar de vanzelfsprekendheid die de relatie vroeger had, is er niet meer.

Toen ik vertrok uit Brussel was ik 17 en zat ik in een hevige puberteit. Ik wou op mijn eigen benen leren staan en trok naar de Steinerschool in Gent. Dat heeft me veel deugd gedaan. Daarvoor woonde ik ook in een specifiek deel van Brussel: ik ben geboren in Ukkel en groeide op tussen Watermaal-Bosvoorde en Oudergem. Ik ging heel vaak naar het centrum en hoe ‘Vlaamser’ ik werd, hoe meer ik een Dansaertvlamingwerd – chillen in Passa Porta en uitgaan in de Beursschouwburg (lacht).

De stad is ook zo gelaagd, zo vol herinneringen en nieuwe dingen. Wat ik fijn vind in Brussel, is de myriade aan taalpraktijken. In Gent hoor ik zo veel Nederlands, terwijl er toch veel mensen zijn die Nederlands niet als eerste taal hebben. In Brussel hoor je veel meer talen en dat mis ik wel. Maar als ik er ben, denk ik altijd “wow, gij zijt zo heftig”. Gewoon, in de veelheid aan verhalen. Bij elke random passant in Brussel ben ik nieuwsgierig naar zijn of haar verhaal. Brussel is ook gewoon drukker dan Gent en in de drukte kan je veel meer dingen zien. Tussen de steden is er wel veel uitwisseling: er zijn veel Gentse vrienden die naar Brussel gaan en omgekeerd.

Ik merk dat links-progressieve, Vlaamse vrienden Brussel als een utopische stad zien, waar veel verschillende groepen kunnen samenleven. Maar er is zoveel ongelijkheid. Brussel is ook maar een kunstmatige grens die iemand ooit getekend heeft. Maar binnen die grenzen wonen heel veel mensen die vaak in precaire situaties zitten. Ik wil Brussel ook niet romantiseren. Het blijft de stad waar er een standbeeld van een trotse Leopold II staat, de stad van zoveel parlementen en de stad van Europarlementariërs die, als ze wit zijn, geen neerbuigende commentaar krijgen van Vlaamse politici – terwijl diezelfde politici lustig pijnlijke, problematische uitspraken rondstrooien over mensen van kleur die recent aankwamen in Brussel, bijvoorbeeld.

Ik merk dat links-progressieve, Vlaamse vrienden Brussel als een utopische stad zien, waar veel verschillende groepen kunnen samenleven. Maar er is zoveel ongelijkheid.

Heb je favoriete Brusselplekken?
Station Brussel-Zuid. Nu onthul ik echt mijn positie als witte middenklassetrut… Maar ja, er gebeurt daar zoveel, en je voelt er letterlijk de stromen. Er kan de volgende minuut een trein vertrekken naar Marseille. Of misschien gaan twee passanten voor de eerste keer hun stiefmoeder ontmoeten. Er zijn zoveel verhalen. Wat als ik random een trein zou opspringen en ergens naartoe zou gaan? Ik heb er ook veel belangrijke momenten in mijn leven meegemaakt.

Ik hou ook van Rue de Bailly, wat alweer cliché is. Oh, of van bus 71! De bus van halte ‘De Brouckère’ naar halte ‘Flagey’, die passeert langs veel toffe plekken. Of tram 8, richting halte ‘Louisa’. Ik zit echt graag op het openbaar vervoer in Brussel. Ik hou ook van kunstencentrum Argos – ik verdwaal steeds op weg naar Argos. Of van Cinema Vendôme in Elsene. Er zijn ook heel toffe tweedehandswinkels in het centrum, waar je echt fancy tweedehandskleren kunt vinden. Ik ging daar vroeger wel vaak, om me dan heel artsy en matuur te voelen.

Nog een laatste vraag: waarover gaat je thesis?
Ah, dat is een relevante vraag! Over inzet van meertaligheid in hedendaagse voorstellingen. Theater is een goed medium om te reflecteren over taal en meertaligheid. Ik focus op drie voorstellingen en hoe die meertaligheid inzetten. Dit plaatst ik binnen de context van de mythe van eentaligheid, waarin een regio zou overeenkomen met één taal en één groep mensen. Dit is natuurlijk een nationalistische mythe. De voorstellingen die ik bestudeer, proberen deze mythe te ontwrichten. Heel vaak worden verschillende talen ingezet om met verschillende klankkleuren en connotaties complexe zaken voor te stellen, en dat is wel interessant.

Ikzelf heb de geïdealiseerde meertaligheid. Ik spreek Frans, Nederlands en Engels en ook wel een mondje Duits. Dat staat goed op je cv, maar als iemand Arabisch of Turks spreekt, wordt dat vaak minder toegejuicht. Het is één van de vele voorbeelden die verhult hoe taalbeleid en machtsverhoudingen vervlochten zijn. In Brussel hoor je vaak heel poëtische voorbeelden van meertaligheid: “Maman, il est où mon boekentas?”.

Dat lijkt me dan ook een mooie afsluiter voor dit interview. Sixtine, bedankt!

Vel • Mieke Versyp & Sabien Clement
Oogachtend, 2022, 300 p.

Esther en Rita kruisen elkaars pad in een tekenatelier. Ze zijn verbonden als tekenares en model, een relatie die draait om kwetsbaarheid en lichamelijkheid, om kijken en bekeken worden. Daarbuiten leiden ze elk hun eigen leven. Beide vrouwen wachten ergens op en proberen zich intussen staande te houden. Een graphic novel over lijven en nabijheid. Over ouder worden, moederschap, schoonheidsidealen, de hang naar perfectie en de impact van de tijd. Over littekens, schaamte, trots, seksualiteit, intimiteit ... en over leven.  

> Zoek dit boek in de bibliotheekcatalogus

Vel

Vel

Dit interview is deel van 1 Stad, 19 Boeken (2022) – een project van de Brusselse bibliotheken en Muntpunt